Meerwaarde cultuurhistorische landschapselementen
Deze website gaat over het onderzoek hoe houtige cultuurhistorische landschapselementen passen binnen de Bossenstrategie. Het doel van de Bossenstrategie is meer, vitaler en duurzamer bos voor de toekomst. Daarbij is gekeken welke meerwaarde deze landschapselementen bieden. Er zijn 25 meerwaarden geconstateerd die aan landschapselementen te koppelen zijn. De meerwaarden die betrekking hebben op de Bossenstrategie zijn weergegeven op de poster hieronder.
De conclusie is dat landschapselementen bijdragen aan de doelen van de Bossenstrategie, omdat landschapselementen door middel van hun meerwaarden zorgen voor een vitaler en duurzamer (bos)landschap. Wanneer er meer landschapselementen worden aangeplant, worden er ook meer bomen aangeplant zodat er meer 'bos' gecreëerd wordt.
Definitie voor houtige landschapselementen is landschapselementen die bomen en struiken bevatten met eventuele ondergroei. Daarbij is te denken aan solitaire bomen, lanen, singels houtwallen, struwelen, heggen, rabattenbossen, hakhoutbosjes en kleine bosjes (kleiner dan 0,5 ha).



Beleving
Landschapselementen voegen beleving toe doordat ze aansluiten op de voorkeuren van mensen. De voorkeur ligt bij een landschap die men kan verkennen en begrijpen. Landschapselementen sluiten hierop aan door het leveren van mysterie, complexiteit, leesbaarheid en samenhang. Zo verspert een element het zicht waardoor ze gevoel van mysterie oproepen. Ze leveren variatie en daarmee complexiteit in het landschapsbeeld. Ook dienen ze als herkenningspunt en geven ze structuur aan het landschap. Doordat er meer landschapselementen in het landschap staan, wordt het aantrekkelijker om in te verblijven. Verbonden zijn met het landschap is belangrijk omdat mensen zich dan ‘eigenaren’ van het landschap voelen. Maatschappelijke betrokkenheid is een belangrijke voorwaarde voor het behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap.


Identiteit
Cultuurhistorische landschapselementen voegen ook toe aan de identiteit. Dit komt doordat ze regiospecifiek zijn. Specifieke elementen zijn gekoppeld als karakteristiek eigenschap aan een bepaald landschap. Zo kan men een coulisselandschap herkennen aan de heggen die kleine percelen omringen waardoor er een lappendeken ontstaat van kleine stukjes landbouw. De elementen zorgen voor de herkenbaarheid van een landschap en helpen het landschap zo te onderscheiden van andere landschappen.
Landschapselementen zijn regiospecifiek geworden door de bodem en het gebruik van de mens. De bodem heeft vooral invloed op de vegetatie die mogelijk is. Zo bevat de heggenvegetatie langs de Maas, een natter gebied, andere plantensoorten dan de heggen in Twente en Drenthe in het hoge essenlandschap. In nattere gebieden groeien elzen, essen, wilgen en populieren beter terwijl in de drogere gebieden juist meer eiken en beuken voorkomen. Door het gebruik van de mens verschilt het beheer per element en per regio. Eikenhakhoutbossen in Twente en Drenthe bevatten zo het element “strubben”. Dit is hakhout wat niet allen door de mens wordt gesnoeid, maar ook nog vraat door vee ondergaat. De vorm van de strubben verschilt hierdoor van de holten, hakhout zonder ondervraat.


Fijnstof afvangen
Bomen en struiken helpen ook bij het filteren van fijnstof. Zeker lijnvormige elementen doen dit goed omdat zij een groter kroondek hebben dan bomen in het bos. De kleine deeltjes fijnstof in de lucht binden zich op de bladeren van het groen en komen daarna met het regenwater direct in de bodem terecht. Er kan wel een reductie van 6 tot 15% plaatsvinden. Fijnstof wordt tot drie keer zoveel afgevangen door naaldbomen dan loofbomen, alleen kunnen naaldbomen niet tegen een langdurige blootstelling ervan.
Fijnstof, waaronder ammoniak, kan het beste afgevangen worden door singels in plaats van houtwallen omdat singels minder ondergroei hebben. Als de ondergroei vrij dicht is, gaat het meeste fijnstof juist over het element heen en wordt ergens ver weg neergelegd. Wanneer er een minder dichte ondergroei is, zal het fijnstof juist door het element gaan en afgevangen worden door de bladeren. Elementen kunnen het beste dichtbij de bron, aan de noordoostelijke kant, worden geplaatst. Dit zorgt ervoor dat het fijnstof minder ver verplaatst wordt en neerdaalt op plekken waar het negatieve gevolgen heeft, zoals kwetsbare natuurgebieden.

Veel ondergroei

Weinig ondergroei


CO2 opnemen
Houtige landschapselementen bevatten bomen en struiken en vangen daardoor CO2 op. Een gemiddelde boom kan wel 10 tot 30 kilo CO2 per jaar opnemen uit de atmosfeer. De precieze waarde is afhankelijk van verschillende factoren, waaronder soort, leeftijd en kroonoppervlak. Hierbij is de regel: Hoe groter het kroonoppervlak, hoe meer CO2 opgenomen kan worden door middel van fotosynthese. In het bos is het kroondek erg klein, terwijl in landschapselementen deze vaak groter is, omdat deze meer ruimte heeft.
In houtwallen is ook ruimte voor mossen op de bomen of de bodem. Mossen nemen ook CO2 op. Of er veel mos groeit, is afhankelijk van het type wal, de grondsoort, het beheer, de streek en of de wal in bos, akker of weiland ligt. Op kromme takken en stobben van eiken groeit ook vaak uitgebreide mosvegetatie. Naast CO2-opname beschermt mos tegen erosie, creëert een gunstig microklimaat voor het ontkiemen van zaden en vruchten en biedt zij een habitat voor kleine insecten.


Houtproductie, ecologische diversiteit en bestuiving
Wanneer landschapselementen niet onderhouden worden, zal door weinig variatie in begroeiing de rijkdom van flora en fauna afnemen. Deze elementen danken hun bestaan door het intensieve beheer van de mens. De houtige landschapselementen bevatten hout, wat voor verschillende doeleinde gebruikt kan worden. Doordat deze elementen onderhouden worden, is er variatie in leeftijd en dus variatie in habitats. Dit zorgt voor meer biodiversiteit. Na het snoeien of afzetten van de stammen, valt er weer licht op de bodem. Hierdoor kunnen er veel bloemen groeien, die insecten aantrekken.
Er groeien in het voorjaar veel voorjaarsplanten in landschapselementen die goed zijn voor de insecten. Wilgen in nattere gebieden zijn waardevol voor de insecten in het voorjaar door hun bloesem die vroeg bloeit. Vlinders, bijen en andere insecten profiteren hiervan. Ook stellen ze dat de mate waarin landschapselementen nuttige insecten kunnen ondersteunen afhangt van de samenstelling van de vegetatie. Er leven vele soorten dieren en planten naast elkaar in kleine landschapselementen omdat er binnen het element verschillende habitatvariaties dicht naast elkaar bestaan. Hierdoor ontstaat er een grote diversiteit aan soorten van planten, bomen en dieren op een relatief klein stuk. Verschillen in habitatten ontstaan doordat er een zonnige en schaduwrijke kant in het element is. Sommige soorten maken gebruik van de zonnige of schaduwzijde van het element in hun verschillende levensstadia.


Ecologische verbindingen en waterkwaliteit
Landschapselementen zorgen voor ecologische verbindingen in het landschap, zeker binnen het agrarische landschap. Houtwallen lijken op bosranden en deze bevatten binnen het bos de meeste biodiversiteit. Kwalitatief goede landschapselementen kunnen dienen als habitat zodat insecten en andere diersoorten zich kunnen voortplanten, nestgelegenheid hebben en voedsel voor zichzelf en hun nakomelingen kunnen vinden. Ook kunnen dieren en planten zich door middel van de landschapselementen verplaatsen, omdat hier een eer extensief beheer toegepast wordt, vergeleken met de landbouwgronden. Wel zijn er verschillende factoren belangrijk om een goede verbinding te creëren. Dit is de breedte van het element, de dichtheid en de oppervlakte van het totale gebied, het type begroeiing en de structuur ervan. De kwaliteit van het landschap kan verbeteren door deze factoren te veranderen.
Kanttekening is dat landschapselementen een deel uit moeten maken van een ecologisch netwerk om een duurzaam landschap te creëren. Kleine bosjes die geïsoleerd liggen in het landschap zijn geen duurzame leefomgeving voor soorten. De kans van overleven wordt daardoor kleiner. Een verbindingszone voor zowel een nieuwe generatie diersoorten die zich kunnen verplaatsen naar andere plekken als zaden van planten zijn belangrijk om bosjes en natuurgebieden aan elkaar te koppelen. Dit kunnen stroken zijn met opgaande begroeiing zoals houtwallen tussen akkervelden. Kleine bosjes in het landschap kunnen verbindingszones zijn tussen grote bossen en een leefgebied zijn voor planten en kleine dieren. Door het inzetten van landschapselementen als deel van ecologische verbindingen wordt zowel ecologie als biodiversiteit van het agrarisch landschap verduurzaamd. Historische lanen zijn vaak de oudste bomen van het bos. Door de ouderdom ontstaan er holten en spleten waar verschillende soorten dankbaar gebruik van maken. Zo groeien hier mossen en paddenstoelen op, maar ook komen hier veel vleermuizen, boommarters en spechten voor. Daarbij gebruiken vleermuizen lanen als aanvliegroute
Cultuurhistorische landschapselementen bevatten ook autochtone boom- en struiksoorten. Dit zijn individuele bomen en struiken die nakomeling zijn van spontaan gevestigde inheemse soorten sinds de laatste ijstijd. Over de lange tijd hebben de autochtone soorten zich aangepast en de insecten zijn meegeëvolueerd. De twee volgen elkaars ecologische ritme.
Groen vangt ook water af en meer groen betekent natuurlijk ook meer doordringbaar bodemoppervlak in plaats van verhard oppervlak. De verschillende functies van de bodem zijn positief voor het klimaat, zoals het opslaan van water en het filteren van water.


Plaagbestrijding, windkering en 2 graden warmer
Landschapselementen kunnen een significante bijdrage leveren aan bestuiving en plaagbestrijding in de landbouw. Er moet een samenspel zijn tussen natuurlijke elementen in de omgeving en een onderlinge afstemming op het teeltplan van verschillende boeren. Bestuivende insecten hebben elk een eigen voorkeur van een habitat die in het landschap te vinden is. Hoe meer verscheidenheid er in het landschap is, hoe meer verschillende insecten kunnen leven en overleven in het gebied. Daarnaast leven en overwinteren verschillende insecten in de houtwal, waaronder de plaagbestrijders. Zij bestrijden de plaag in het gewas. Als het gewas geoogst is, blijven de plaagbestrijders in de buurt omdat in de houtwallen verblijven. Dit is een constante factor in het agrarische landschap.
Landschapselementen creëren een ander microklimaat omdat zij invloed hebben op de wind en de richting ervan. De windkracht is achter het element sterk teruggenomen. Dichtere landschapselementen zoals houtwallen, singels en kleine bosjes, dienen daarom als windscherm. Hoe dichter de begroeiing, hoe minder wind erachter kan waaien. Hierdoor blijven waardevolle voedingsdeeltjes op de akkers liggen en waaien niet weg. Daarnaast beschadigen gewassen minder snel doordat de wind wordt afgebroken door de elementen. Ook is het achter het element warmer. Dit kan wel 2 graden schelen. Warmte minnende gewassen profiteren hiervan. Wat het effect is van het element hangt samen met de hoogte, de dichtheid, de breedte en de positie ten opzichte van de wind.



Hittestress reductie
Bomen koelen de omgeving. Dit doen zij door schaduw te geven wat zorgt voor een temperatuurverlaging. Daarnaast verdampen de bomen water, wat ook weer verkoeling oplevert. Door de verdamping, komen er ook meer wolken en daardoor neerslag gevormd worden. De schaduw die elementen geven voor het vee dat buiten graast. Hierdoor vindt een reductie van hittestress plaats, zorgt voor reductie van hittestress. Wanneer dieren hittestress hebben, kunnen zij ziek worden, en bijvoorbeeld pensverzuring krijgen. Waardoor ook minder geproduceerd wordt.

Bomen koelen de omgeving op op twee manieren:
Door verdamping en schaduw te creëren.